Tom (openen) de achterdeur.
Marieke (zijn) er.
Zij en moeder (zitten) aan de tafel, achter een kop koffie.
'Dag zusje', (zeggen) Tom.
Marieke (knipogen)
en (tikken) met een wijsvinger tegen haar wang.
Tom (lachen)
en (geven) haar een zoen op de aangewezen plek.
Ze (kunnen) het goed vinden samen, ondanks het grote leeftijdsverschil.
Tom (zijn) zeventien.
Marieke (zijn) achtentwinting, en sinds drie jaar getrouwd.
Ze (wonen) in Brussel.
Op een dag (komen) ze thuis
en (meedelen) dat ze getrouwd was.
'Waar is vader ?' (vragen) Marieke.
'Hij werkt voor Mevrouw Vermeulen', (antwoorden) Tom.
Hij (nemen) drie borden uit de kast
en (zetten) ze op de tafel.
'Blijf je eten ?' (vragen) hij.
'Als het mag van mama', (glimlachen) ze.